Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA2654

Datum uitspraak2007-04-11
Datum gepubliceerd2007-04-11
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200607368/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het houden, fokken en verhandelen van paarden op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 september 2006 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200607368/1. Datum uitspraak: 11 april 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], allen wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het houden, fokken en verhandelen van paarden op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 september 2006 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 1 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 14 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2007, waar appellanten, waarvan [gemachtigde] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J. Siereveld en ing. M. Taal, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door mr. A. Hoogesteger, werkzaam bij Adromi Groep. 2.    Overwegingen 2.1.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor een inrichting voor het houden van 50 volwassen paarden en pony's en 9 paarden en pony's in opfok. 2.2.    Appellanten stellen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door hen ingebrachte zienswijzen.    In paragraaf 2.6 van de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op de door appellanten ingebrachte zienswijzen. Nu verweerder er in het bestreden besluit aldus blijk van heeft gegeven de door appellanten ingebrachte zienswijzen bij zijn besluitvorming te hebben betrokken, mist het beroep in zoverre feitelijke grondslag. 2.3.    Appellanten voeren aan onaanvaardbare geluidhinder te ondervinden als gevolg van verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Volgens hen is het aantal verkeersbewegingen dat in de aanvraag is genoemd te laag voor de aangevraagde bedrijfsvoering. Bovendien vrezen appellanten dat dit aantal in de toekomst sterk zal toenemen als gevolg van veranderde activiteiten binnen de inrichting. 2.3.1.    Bij de beoordeling van de van de inrichting te verwachten geluidhinder als gevolg van verkeer van en naar de inrichting heeft verweerder de circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting' van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire) als uitgangspunt genomen. In deze circulaire wordt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximale grenswaarde van 65 dB(A) gesteld voor de geluidbelasting gedurende de dagperiode op de gevels van woningen. 2.3.2.    In het akoestisch rapport bij de aanvraag is aangegeven dat, uitgaande van het maximale aantal verkeersbewegingen dat met de aangevraagde activiteiten van en naar de inrichting kan plaatsvinden, de als gevolg hiervan optredende geluidbelasting niet meer bedraagt dan 50 dB(A). Door appellanten is niet aannemelijk gemaakt, noch is anderszins gebleken, dat niet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de circulaire kan worden voldaan. Voor zover appellanten vrezen dat het aangevraagde aantal verkeersbewegingen ontoereikend is voor de door vergunninghouder voorgestane bedrijfsvoering en daardoor zal toenemen, overweegt de Afdeling dat de inrichting in werking dient te zijn conform de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning. Deze grond heeft derhalve geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften. 2.4.    Het beroep is ongegrond. 2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes, ambtenaar van Staat. w.g. Oosting                                      w.g. Douwes Lid van de enkelvoudige kamer                     ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007 443